Opheffing conservatoir beslag

Opheffing conservatoir beslag gelegd door legitimarissen zodat executeur object kan vervreemden

De legitimarissen leggen beslag op een onroerende zaak die deel uitmaakt van de nalatenschap, omdat zij de zekerheid willen hebben dat hun legitieme portie wordt uitgekeerd. De executeur vordert in kort geding opheffing van het beslag omdat zij de onroerende zaak wil verkopen en met de opbrengst de vorderingen van de legitimarissen wil voldoen.

 

Volgens de voorzieningenrechter is voldoende aannemelijk geworden dat de executeur op dit moment over onvoldoende liquide middelen beschikt om het gehele bedrag aan legitieme porties aan de legitimarissen uit te keren en dat de executeur, om deze liquide middelen te kunnen verwerven, eerst de onroerende zaak zal moeten verkopen. Nu het beslag hieraan in de weg staat wordt de executeur door het beslag op een onevenredig zware wijze in haar belangen getroffen. Dit geldt temeer nu er geen aanwijzingen zijn dat betaling door de executeur van de legitieme porties achterwege zal blijven nadat de onroerende zaak is verkocht of dat er gegronde vrees bestaat dat er vermogensbestanddelen aan het verhaal van de legitimarissen worden onttrokken. In dit verband wordt overwogen dat niet aannemelijk is geworden dat de executeur haar taak als executeur en afwikkelingsbewindvoerder tot op heden niet op een juiste wijze heeft ingevuld, laat staan dat de vrees bestaat dat dit in de verdere uitoefening van haar taak aan de orde zou komen. Nu het door de legitimarissen gestelde belang bij het beslag - te weten dat hun legitieme porties zo spoedig mogelijk worden uitbetaald - eveneens door het beslag wordt gehinderd, weegt hun belang niet zo zwaar als het belang van de executeur bij opheffing van het beslag. De vordering van de executeur tot opheffing van het beslag door de legitimarissen wordt toegewezen.


Rb. Overijssel 20 februari 2015, nr C/08/167429 / KG ZA 15-30 (RBOVE:2015:1128)