Erfgenamen aansprakelijk voor legaten, nalatige executeur, betaling in termijnen, ingebrekestelling

Erfgenamen aansprakelijk voor legaten, nalatige executeur, betaling in termijnen, ingebrekestelling

Twee erfgenamen zijn voor 1/3 gedeelte gerechtigd tot een nalatenschap en hebben de nalatenschap zuiver aanvaard. De erfgenamen zijn aansprakelijk gesteld door twee stichtingen aan wie de erflaatster 30% van het saldo van de nalatenschap in contanten had gelegateerd. De erfgenamen stellen dat de erflaatster een executeur (die ook voor 1/3 deel gerechtigd is tot de nalatenschap) had benoemd en dat zij er in het geheel niet van op de hoogte waren dat de executeur de legaten nog niet had uitgekeerd. Zij verzoeken de Rechtbank om het legaat op grond van artikel 4:123 BW op te heffen dan wel te wijzigen. 

 

De Rechtbank overweegt onder meer dat in artikel 4:117 BW is bepaald dat een legaat in beginsel ten laste van de gezamenlijke erfgenamen komt en dat de erfgenamen naar rato van hun erfdeel verbonden zijn. Als uitgangspunt geldt dat de stichtingen hun legaat op grond van artikel 4:184 lid 1 BW op de nalatenschap kunnen verhalen en door de zuivere aanvaarding ingevolge artikel 4:184 lid 2 BW ook op het eigen vermogen van de erfgenamen. Op de voet van artikel 4:123 BW kan een rechter de verbintenissen uit een legaat wijzigen of (deels) opheffen op grond van na het overlijden van de erflater ingetreden omstandigheden welke van dien aard zijn dat de andere partij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van die verbintenissen niet mag verwachten. Naar het oordeel van de Rechtbank is hiervan in dit geval geen sprake. Het enkele feit dat de executeur nalatig is geweest, is daartoe onvoldoende. Op grond van artikel 4:117 BW geldt immers als uitgangspunt dat de legaten voor 1/3 deel per persoon ten laste van de erfgenamen moeten komen. Dat de executeur zonder voldoening van de legaten tot verdeling van de nalatenschap is overgegaan en de nalatenschap door de erfgenamen inmiddels (grotendeels) is opgemaakt, is een omstandigheid die voor hun eigen rekening en risico moet komen. Dit betekent dat de Rechtbank het verzoek tot opheffing dan wel wijziging van het legaat afwijst. De erfgenamen moeten de legaten naar evenredigheid van hun erfdeel te voldoen uit de nalatenschap dan wel hun eigen vermogen. De stelling dat de erfgenamen enkel zijn gehouden tot betaling van hetgeen zij op grond van de regels van verdeling teveel hebben ontvangen, wordt gelet op de artikelen 4:117 BW en 4:184 BW niet gevolgd. 

 

Volgens de Rechtbank komen de betalingen die de executeur - die ook voor 1/3 deel erfgenaam is - aan de stichtingen heeft verricht in de periode dat hij nog executeur was, in mindering op de bedragen die de andere erfgenamen aan de stichtingen zijn verschuldigd. De bedragen die de executeur aan de stichtingen heeft betaald nadat hij was ontslagen als executeur, komen in mindering op het bedrag dat de executeur als erfgenaam aan de stichting is verschuldigd. 

 

Het verzoek van de erfgenamen om op grond van artikel 4:5 BW het verschuldigde bedrag in termijnen te mogen betalen omdat de gelden die zij uit de nalatenschap hebben ontvangen nagenoeg zijn opgemaakt, wordt verworpen omdat niet is gebleken van gewichtige redenen. 

 

Dat de legaten reeds in 2009 opeisbaar zijn geworden, betekent volgens artikel 4:125 lid 3 BW niet dat de erfgenamen vanaf dat moment de wettelijke rente aan de legatarissen zijn verschuldigd, maar pas vanaf het moment van een ingebrekestelling. Als blijkt dat het mislopen van rente het gevolg is van het handelen van de executeur, kan de schade op hem worden verhaald. 

 

Rb. Amsterdam 6 mei 2015, nr C/13/551629 / HA ZA 13-1557 (RBAMS:2015:2337)