Erfgenamen aansprakelijk voor schenkbelasting

Erfgenamen aansprakelijk voor schenkbelasting door onduidelijke bankopname kort voor overlijden

Kort vóór het overlijden in 2008 is ruim € 72.000 contant opgenomen van de bankrekening van erflaatster. Omdat onduidelijk is waar dit geld is gebleven, heeft de inspecteur een aanslag in het recht van schenking opgelegd ten name van een onbekende verkrijger waarbij hij is uitgegaan van een schenking vrij van recht waardoor de aanslag bijna € 70.000 beliep.

 

Omdat deze aanslag onbetaald is gebleven, heeft de Ontvanger de erfgenamen hiervoor aansprakelijk gesteld op grond van artikel 48 lid 1 letter b jo. artikel 49 Invorderingswet. De erfgenamen stellen dat een aanslag aan een onbekende verkrijger niet mogelijk is omdat een schenking pas tot stand kan komen na aanvaarding daarvan door de verkrijger. De Rechtbank verwerpt het betoog van de erfgenamen. Volgens de Rechtbank wordt krachtens artikel 1 SW onder schenking verstaan de gift als bedoeld in artikel 7:186 lid 2 BW. Op grond hiervan wordt als gift aangemerkt: “iedere handeling die er toe strekt dat degeen die de handeling verricht, een ander ten koste van eigen vermogen verrijkt. Zolang degene tot wiens verrijking de handeling strekt, de prestatie niet heeft ontvangen, noch daarop aanspraak kan maken, worden handelingen als bedoeld in de eerste volzin niet beschouwd als gift.” Onder ‘handelingen’ worden ook verstaan eenzijdige handelingen. De stelling dat slechts dan sprake kan zijn van een gift in civielrechtelijke zin als de schenking door de verkrijger wordt aanvaard, is dus niet juist. Hieruit volgt dat de omstandigheid dat de verkrijger onbekend is, geen belemmering is om voor de Successiewet een belaste schenking te kunnen aannemen.

 

Rb. Zeeland-West-Brabant 24 maart 2015, nr AWB 14/2217 (RBZWB:2015:1879)