Inbreng giften: overdracht van landbouwgrond in verpachte staat gift?

In 1975 gaat zoon met vader een landbouwmaatschap aan. In 1988 treedt vader uit de maatschap en zet de zoon het landbouwbedrijf alleen voort. In 1989 en 1996 krijgt zoon de landbouwgronden van vader geleverd tegen de waarde in verpachte staat. Na het overlijden van vader ontstaat tussen de kinderen een geschil over de vraag of in de overdracht een gift besloten lag, die moet worden ingebracht in de nalatenschap.

 

Het Hof te Den Haag oordeelt dat in de overdracht geen gift besloten lag. Het Hof overweegt daartoe onder meer dat in 1975 de maatschap in beginsel voor onbepaalde tijd was aangegaan. Gezien de leeftijd van vader in 1988 (78 jaar) is het naar maatschappelijke normen bezien alleszins normaal te achten dat hij zijn onderneming dan staakt en dat hij conform de overeenkomst van maatschap meewerkt aan de overdracht van de onderneming aan de zoon. De zoon was toen al 13 jaar als maat werkzaam binnen de onderneming. Het landbouwbedrijf was op dat moment voor de zoon de bron van inkomsten om in zijn levensonderhoud te voorzien.

Gezien de overeenkomst van maatschap - hetgeen in agrarische kringen veelal als een zakelijk huwelijk wordt gezien - mocht zoon er naar objectieve maatstaven op vertrouwen dat hij de onderneming kon continueren. Voor de exploitatie van het landbouwbedrijf was het noodzakelijk dat de zoon over de landbouwgronden kon beschikken. De zoon was ten opzichte van vader geen willekeurige derde. Tussen vader en zoon bestond immers een contractuele relatie door de overeenkomst van maatschap. Een belangrijk uitgangspunt voor het aangaan van een dergelijke overeenkomst is de mogelijkheid van voortzettende maten om bij uittreding van een vennoot de onderneming al dan niet in maatschapsverband te kunnen voortzetten door het mogelijk maken van de bedrijfsoverdracht waardoor de continuïteit van het bedrijf wordt gewaarborgd. Bij het beëindigen van de overeenkomst van maatschap speelde de goede trouw (thans: artikel 6:2 BW). Dat vader de aan hem in eigendom toebehorende landbouwgronden aan de zoon die de onderneming voortzette heeft verpacht toen de maatschap tussen hen eindigde, vloeit mede voort uit de op grond van deze overeenkomst van maatschap tussen hen in acht te nemen beginselen van redelijkheid en billijkheid. Dat de zoon in 1989 en in 1996 de landbouwgronden van vader heeft overgenomen tegen de waarde in verpachte staat, is een uitvloeisel van de hiervoor omschreven contractuele verhouding tussen vader en de zoon. Van een gift is geen sprake. Bij vader heeft de bevoordelingsbedoeling ontbroken nu de transacties zijn geschied met het oog op de voortzetting van het bedrijf dat hij mede heeft geëxploiteerd. Voor vader was bovendien sprake van verpachte grond op grond waarvan verkoop aan een derde slechts in verpachte staat zou kunnen zijn geschied. Het feit dat de zoon in de periode van 1998 tot 2001 de gronden heeft verkocht aan een derde doet daar niet aan af. Vanuit vader bezien was er sprake van een waardedrukkende factor.

Hof Den Haag 29 juli 2014, nr 200.096.967 (GHDHA:2014:4297)