Legaat van inboedel in de breedste zin van het woord: kunstvoorwerpen

Vader legateert aan zijn echtgenote zijn woning “alsook mijn volledig inboedel, die aldaar voorhanden is, in de breedste zin van het woord”. In geschil is of de kunstvoorwerpen die zich in de woning bevinden onder het legaat vallen. De dochter meent dat de kunstvoorwerpen niet onder het legaat vallen, omdat artikel 3:5 BW (in welk artikel het begrip inboedel wordt gedefinieerd) kunstvoorwerpen worden uitgesloten.

 

Volgens de Rechtbank heeft de dochter onvoldoende bestreden dat haar ouders welgesteld waren zodat tot de inboedel ook antieke en/of kunstvoorwerpen behoorden. Aangezien niet slechts “inboedel” maar “inboedel in de breedste zin van het woord” in het testament is opgenomen, heeft vader kennelijk een ruimere betekenis aan het begrip inboedel willen toekennen dan artikel 3:5 BW. Onder het door vader gehanteerde begrip vallen dan niet alleen de roerende zaken die tot de huisraad, stoffering en meubilering behoren maar ook de overige elementen die tot de inrichting en verfraaiing van de woning behoren. Indien het om een kunstverzameling zou gaan die niet valt onder “inboedel in de breedste zin van het woord”, had het in de rede gelegen dat vader daarover afzonderlijk zou hebben beschikt in zijn testament zoals hij dat ook heeft gedaan met zijn andere vermogensbestanddelen.

Rb. Midden-Nederland 24 december 2014, nr C/16/339576 / HA ZA 13-169 (RBMNE:2014:6924)