Machtiging bewindvoerder verwerpen vruchtgebruiklegaat

Krachtens artikel 1:441 lid 2 sub a BW dient de bewindvoerder toestemming van de rechthebbende of, indien deze daartoe niet in staat of weigerachtig is, machtiging van de kantonrechter te hebben voor het beschikken en aangaan van overeenkomsten tot beschikking over een onder het bewind staand goed, tenzij de handeling als een gewone beheersdaad kan worden beschouwd. Nu het hier het beschikken over een onder bewind staand goed betreft en rechthebbende wilsonbekwaam is geacht, is machtiging van de kantonrechter noodzakelijk. Bij de toetsing van een dergelijk verzoek staat het belang van de rechthebbende voorop. De kantonrechter dient te beoordelen of de verzorgingsbehoefte van de rechthebbende door het verwerpen van het vruchtgebruik in gevaar komt. Gezien de werkwijze, zoals vermeld in het aanvullend verzoek van 12 augustus 2014 en hetgeen ter zitting door de bewindvoerder is aangevoerd terzake de verzorging van de rechthebbende, loopt de verzorgingsbehoefte van rechthebbende door toewijzing van het verzoek geen gevaar, zodat de kantonrechter het verzoek tot verwerping van het vruchtgebruik zal toewijzen.

Rb. Zeeland-West-Brabant 19 februari 2015, nr 3309629 OV VERZ 14-4913 (RBZWB:2015:1278)