Nabestaandenlijfrente

Nabestaandenlijfrente voor minderjarig kind door Hof Arnhem-Leeuwarden aangemerkt als quasi-legaat (artikel 4:126 lid 2 letter b BW)

 

Op verzoek van de boedelnotaris van een beneficiair aanvaarde nalatenschap wordt de opheffing van de vereffening bevolen. Nadien heeft de notaris de Rechtbank verzocht om de vereffening te heropenen omdat gebleken is dat door het overlijden van de erflater levensverzekeringen tot uitkering zijn gekomen die op grond van artikel 4:126 lid 2 letter b BW kwalificeren als een quasi-legaat. Deze uitkeringen zijn nog niet betrokken bij de vereffening. De rechtbank wijst het verzoek tot heropening toe. De begunstigde van de levensverzekeringen, een minderjarig kind heeft hoger beroep ingesteld. Het kind betwist dat hier sprake is van een quasi-legaat omdat naar haar mening de begunstiging strekt tot nakoming van een natuurlijke verbintenis of wettelijke onderhoudsverplichting jegens haar als kind van erflater. Volgens de polissen moeten de uitkeringen worden gebruikt voor een nabestaandenlijfrente.

Het Hof overweegt als volgt. Volgens artikel 7:188 lid 1 BW wordt de aanwijzing van een begunstigde bij een sommenverzekering aangemerkt als een gift tenzij de aanwijzing geschiedt ter nakoming van een verbintenis anders dan uit schenking.

Hieruit volgt dat het op de weg van het kind ligt om aan te tonen dat de aanwijzing is geschied ter nakoming van een verbintenis anders dan uit schenking. Het Hof is van oordeel dat het kind dit onvoldoende heeft aangetoond. De aanwijzing van het kind als begunstigde had plaats in 2010 toen het kind 14 jaar oud was. Het kind heeft de begunstiging aanvaard na het overlijden van de erflater toen zij 15 jaar was. In een fax aan de assurantietussenpersoon heeft de erflater verzocht de begunstiging in de polissen zodanig te wijzigen dat zijn echtgenote wordt vervangen door het kind.

Een reden voor deze wijziging is daarbij niet vermeld en ook verder is van een expliciete beweegreden voor deze wijziging niet gebleken. Dat in de verzekeringspolissen wordt gesproken van ‘verzorging’, dat ouders jegens hun kinderen onderhoudsplichtig zijn en dat een nabestaandenlijfrente bij uitstek bedoeld is voor de verzorging van nabestaanden acht het Hof een onvoldoende concrete onderbouwing van het gestelde. Andere concrete feiten en omstandigheden die nu juist in deze zaak rechtvaardigen dat erflater door de aanwijzing van het kind als begunstigde heeft voldaan aan een op hem rustende natuurlijke verbintenis jegens haar zijn gesteld noch gebleken. Dat de zus van het kind al eerder een vergelijkbaar bedrag van erflater heeft verkregen, kan evenmin leiden tot het oordeel dat ten opzichte van het kind sprake is van een natuurlijke verbintenis van de erflater. Voor de erflater bestaat evenmin een wettelijke onderhoudsverplichting van het kind voor de periode na zijn overlijden. De aanwijzing van het kind als begunstigde kan dan ook niet zijn geschied ter nakoming van zo’n wettelijke verplichting. Het Hof oordeelt dan ook dat de aanwijzing van het kind als begunstigde een quasi-legaat is en dat het kind op grond van artikel 4:127 BW verplicht is tot vergoeding van de waarde van het in mindering komende gedeelte aan de gezamenlijke erfgenamen. Volgens het Hof is niet gebleken van omstandigheden waardoor dit onredelijk is. Dat de uitkering aan het kind geschiedt in driemaandelijkse termijnen is daarvoor onvoldoende. Tot slot is het Hof van oordeel dat voor het opnieuw benoemen van een vereffenaar ex artikel 4:209 lid 5 BW, de notaris voldoende heeft aangetoond dat er voldoende baten zijn om de kosten van de vereffening te bestrijden.

 

Hof Arnhem-Leeuwarden 24 februari 2015, nr 200.153.712 (GHARL:2015:1357)