Onder curatelestelling

Onder curatelestelling: kantonrechter volgt niet de veronderstelde voorkeur van betrokkene voor personen die tot curatoren moeten worden benoemd en einde algemene volmacht levenstestament door curatele.

 

Moeder heeft ten overstaan van een notaris een levenstestament laten verlijden. Hierin is onder meer een algemene volmacht gegeven aan twee van haar vier kinderen (kind 1 en kind 2). De volmacht eindigt niet door een onderbewindstelling. Voor het geval er een bewind zou worden ingesteld, wordt verzocht kind 1 en kind 2 tot bewindvoerder te benoemen. Ook wordt de kantonrechter verzocht op de voet van artikel 1:445 lid 3 BW de bewindvoerder vrij te stellen van de verplichting periodiek rekening en verantwoording aan de kantonrechter af te leggen.

De twee andere kinderen (kind 3 en kind 4) hebben de kantonrechter verzocht om moeder onder curatele te stellen dan wel om een bewind in te stellen over het vermogen van moeder. De kantonrechter heeft in afwachting van de uitkomst van een in te stellen onderzoek door een geriater of andere deskundige een provisioneel bewind ingesteld, maar moeder wenst niet mee te werken aan een dergelijk onderzoek. Daardoor kon niet worden vastgesteld dat ondercuratelestelling - als meest ingrijpende maatregel in de burgerlijke rechten van moeder - noodzakelijk is voor een behoorlijke behartiging van haar belangen. Vervolgens heeft de kantonrechter moeder bezocht. Op grond van de stukken in het dossier en zijn eigen waarnemingen komt de kantonrechter tot het oordeel dat moeder in een zodanige geestelijke toestand verkeert dat zij niet steeds in staat is tot een behoorlijke waarneming van haar belangen. Daarmee is voldaan aan de eisen voor ondercuratelestelling van artikel 1:378 BW en de kantonrechter wijst het verzoek tot ondercuratelestelling toe.

Ingevolge artikel 1:383 lid 2 BW volgt de kantonrechter bij de benoeming van de curator de uitdrukkelijke voorkeur van de betrokkene, tenzij gegronde redenen zich hiertegen verzetten. In haar levenstestament heeft moeder vastgelegd dat zij wenst dat kind 1 en kind 2 gezamenlijk als bewindvoerders en mentoren worden benoemd. Het levenstestament zegt niets over curatele en de benoeming van curatoren. In geschil is of moeder wilsbekwaam was op het moment dat zij haar levenstestament liet verlijden. De instrumenterend notaris heeft verklaard dat hij het protocol wilsbekwaamheid van de KNB heeft gevolgd. Ook zijn kandidaat-notaris was van mening dat moeder toen wilsbekwaam was. Op grond daarvan is de kantonrechter van oordeel dat voorshands - zolang het tegendeel niet is aangetoond - ervan moet worden uitgegaan dat moeder bij het verlijden van het levenstestament bekwaam was. Haar voorkeur voor de personen van de te benoemen bewindvoerders en mentoren staat daarmee vast. Veronderstellenderwijs gaat de kantonrechter ervan uit dat moeder ten tijde van het opstellen van het levenstestament - daarnaar gevraagd - een gelijke voorkeur voor eventueel te benoemen curatoren zou hebben gemaakt. Door kind 3 en kind 4 is evenwel bezwaar gemaakt tegen de benoeming van kind 1 en kind 2 tot curatoren. Op grond van diverse constateringen oordeelt de kantonrechter dat er gegronde redenen zijn kind 1 en kind 2 niet te benoemen tot curator. De kantonrechter constateert onder meer dat de financiële belangen van kind 1 tegenstrijdig zijn aan die van moeder. Zo heeft kind 1 een grote schuld aan moeder en nam zij regelmatig grote bedragen op (soms € 10.000,00) van de rekening van moeder.

Als de in het levenstestament vastgelegde voorkeur van moeder voor benoeming van kind 1 en kind 2 tot bewindvoerders en mentoren kan worden uitgelegd als een voorkeur voor benoeming van beiden tot curatoren, wordt hieraan voorbij gegaan.


Tot slot merkt de kantonrechter op dat door de ondercuratelestelling de aan kind 1 en kind 2 verstrekte volmacht van rechtswege eindigt (artikel 3:72 BW). De kantonrechter benoemt de provisioneel bewindvoerder tot curator. Rb. Gelderland 26 februari 2015, nr 2267495 CU13-208 (RBGEL:2015:1476)