Opheffing vruchtgebruik

Opheffing verplichting tot vestiging van vruchtgebruik ten behoeve van partner op woning erflater

De executeur en enig erfgenaam in een nalatenschap waartoe onder meer een woning behoort, heeft ter aflossing van de hypotheekschuld de woning verkocht. De geregistreerd partner van de erflater maakt echter aanspraak op vestiging van het vruchtgebruik op de woning op de voet van artikel 4:29 BW. De executeur/erfgenaam is van mening dat deze bepaling niet van toepassing is omdat de partner ten tijde van het overlijden niet in de woning woonde. Daarnaast stelt de executeur/erfgenaam dat de partner geen behoefte heeft aan het vruchtgebruik van de woning. Omdat de executeur de woning wil leveren aan de koper, heeft de executeur ex artikel 4:33 lid 2 letter a BW de kantonrechter verzocht om de verplichting tot medewerking aan de vestiging van het vruchtgebruik op te heffen. 

 

De kantonrechter overweegt als volgt. Artikel 4:33 lid 2 BW kent de mogelijkheid voor de kantonrechter om op verzoek van een rechthebbende (eigenaar/erfgenaam) de verplichting tot vestiging van het vruchtgebruik op te heffen indien de echtgenoot of partner aan het vruchtgebruik voor zijn verzorging geen behoefte heeft. De regeling gaat uit van de veronderstelling dat de langstlevende voor zijn verzorging behoefte heeft aan het vruchtgebruik op de woning en inboedel. De langstlevende kan aanspraak maken op vruchtgebruik van woning en inboedel daarvan zonder dat hij hoeft aan te tonen daaraan voor zijn verzorging behoefte te hebben. Wil de rechthebbende de verzorgingsbehoefte aan de orde stellen, dan staat voor hem de weg open van artikel 4:33 BW. De executeur/erfgenaam zal moeten stellen en aannemelijk maken dat de langstlevende voor zijn verzorging geen behoefte heeft aan het vruchtgebruik op de woning en inboedel.

 

Anders dan de partner heeft betoogd, volgt uit de parlementaire geschiedenis niet dat zij haar leven na het overlijden van de erflater ongestoord kan voortzetten (zie TK 17141, nr 120a blz. 3). In HR 8 juni 2007 (JBN 2007, nr 52) is overwogen dat met het vestigen van het vruchtgebruik op grond van de artikelen 4:29 en 4:30 BW wordt beoogd de achtergebleven echtgenoot/partner niet meer dan een vangnet te bieden in de vorm van een passende voorziening indien en voor zover zijn of haar verzorging niet is gewaarborgd. Volgens artikel 4:33 lid 5 BW houdt de kantonrechter bij de toepassing van artikel 4:33 lid 2 BW in ieder geval rekening met:

  • de leeftijd van de partner;
  • de samenstelling van diens huishouding;
  • de mogelijkheid van de partner om zelf in haar verzorging te voorzien door middel van arbeid, pensioen, vermogen dan wel andere middelen of voorzieningen; en
  • hetgeen in de gegeven omstandigheden als een passend verzorgingsniveau voor de partner kan worden beschouwd.

 

In casu heeft de executeur gesteld dat de partner geen behoefte heeft aan het vruchtgebruik op de woning en de inboedel. Gebleken is dat de partner elders eigenaar is van een woon-/winkelpand, waar zij woont en een modewinkel exploiteert. Dit was reeds het geval toen de erflater nog leefde. Hoewel de partner regelmatig verbleef in de woning van de erflater is de kantonrechter van oordeel dat geen sprake is van een echtelijke woning die zij tezamen bewoonden. Verder is de kantonrechter van oordeel dat de partner geen behoefte heeft aan de vestiging van het vruchtgebruik van de woning en inboedel. Zij heeft immers een eigen woning met inboedel. Medewerking aan het vestigen van het vruchtgebruik zou ertoe leiden dat de partner het gebruiksrecht zou hebben van 2 woningen. Hierdoor zou er sprake zijn van een ongestoorde voortzetting van het leven van de partner na het overlijden van de erflater hetgeen de wetgever niet heeft beoogd met de wettelijke rechten.

 

Rb. Gelderland 24 februari 2015, nr 2958204 \ EZ VERZ 14-112 e.a. (RBGEL:2015:1469)