Uitsluitingsclausule op kwijtschelding zit niet op woning

Een echtgenoot, gehuwd in gemeenschap van goederen, heeft voor het huwelijk een woning van zijn ouders verkregen. Een kwart van deze woning heeft de echtgenoot zonder uitsluitingsclausule verkregen toen vader zonder testament overleed. Het overige deel van de woning (3/4) heeft de echtgenoot van zijn moeder verkregen toen de woning aan hem werd toegedeeld. Bij deze toedeling werd de echtgenoot een bedrag schuldig aan zijn moeder, welk bedrag moeder hem kwijtschold. De echtgenoot stelt in de echtscheidingsprocedure dat slechts een kwart van de woning in de huwelijksgemeenschap is gevallen en dat het overige deel van de woning (driekwart) op grond van de uitsluitingsclausule privévermogen is. De rechtbank wijst de stellingen van de echtgenoot af. De rechtbank overweegt dat In de verdelingsakte slechts een uitsluitingsclausule is opgenomen ten aanzien van het door de moeder kwijtgescholden bedrag doch is niet opgenomen dat de eigendomsverkrijging onder uitsluiting zou plaatsvinden. Partijen zijn in algehele gemeenschap van goederen gehuwd en de echtgenoot heeft de woning ingebracht in het huwelijk. De vrouw heeft nadrukkelijk gesteld niet op de hoogte te zijn geweest van de akte van verdeling en de echtgenoot heeft gesteld niet over huwelijkse voorwaarden te hebben nagedacht omdat hij ervan uitging dat het huwelijk tussen partijen stand zou houden. Naar objectieve maatstaven kan uit de akte van verdeling niet anders worden geconcludeerd dan dat uitsluitend het bedrag van de geldlening dat door de moeder is kwijtgescholden, buiten een gemeenschap van goederen zou vallen.

Rb. Overijssel 29 januari 2015, nr C/08/163317 / ES RK 14-3003 (RBOVE:2015:922)