Verhalen van uitvaartkosten op nabestaanden bij negatieve nalatenschap

Twee uitspraken over het verhalen van uitvaartkosten door gemeente op nabestaanden bij negatieve nalatenschap

Ingevolge artikel 22 van de Wet op de lijkbezorging kunnen de kosten van een gemeentelijke uitvaart worden verhaald op de erfenis en “bij ongenoegzaamheid van deze, op de bloed- en aanverwanten, die krachtens de artikelen 392-396 van Boek I van het Burgerlijk Wetboek tot onderhoud van de overledene verplicht zouden zijn geweest […]”.

 

Artikel 1:392 BW luidt: “1. Tot het verstrekken van levensonderhoud zijn op grond van bloed- of aanverwantschap gehouden: a. de ouders; b. de kinderen; c. behuwdkinderen, schoonouders en stiefouders. 2. Deze verplichting bestaat, behalve wat betreft ouders en stiefouders jegens hun minderjarige kinderen en stiefkinderen en jegens hun kinderen bedoeld in artikel 395a van dit boek, slechts in geval van behoeftigheid van de tot levensonderhoud gerechtigde. 3. De in het eerste lid genoemde personen zijn niet verplicht levensonderhoud te verstrekken, voor zover dit van de echtgenoot of een vroegere echtgenoot dan wel de geregistreerde partner of vroegere geregistreerde partner overeenkomstig het in de vijfde titel a, zesde, negende of tiende titel van dit boek bepaalde kan worden verkregen.”

 

Uitspraak 1:

Gemeente kan kosten van lijkbezorging niet verhalen op de langstlevende echtgenote Volgens de Rechtbank Den Haag vindt de verplichting tot het verstrekken van levensonderhoud van een echtgenoot zijn grondslag in artikel 1:81 BW en niet in de artikelen 1:392-396 BW. Op grond hiervan is de Rechtbank van oordeel dat artikel 22 Wet op de lijkbezorging juncto de artikelen 1:392-396 BW geen ruimte biedt om de uitvaartkosten op de weduwe te verhalen. Rb. Den Haag 3 februari 2015, nr C/09/45984 (RBDHA:2015:1014)

 

Uitspraak 2:

Ondanks verwerping of beneficiaire aanvaarding nalatenschap zijn kinderen aansprakelijk De gemeente wil de kosten die zij heeft gemaakt voor een crematie verhalen op de twee kinderen van de erflater. De Rechtbank overweegt onder meer dat artikel 22 Wet op de lijkbezorging de verhaalsmogelijkheid van de gemeente verruimt die losstaat van het erfrecht. Verwerping of beneficiaire aanvaarding van de nalatenschap raken deze extra verhaalsmogelijkheid niet. Dit brengt met zich mee dat ondanks de verwerping de kosten van de crematie op de kinderen kunnen worden verhaald omdat zij volgens de artikelen 1:392 tot en met 1:396 BW behoren tot de kring van personen op wie de crematiekosten kunnen worden verhaald. De verwijzing in artikel 22 Wet op de lijkbezorging betekent volgens de Rechtbank niet dat naar de maatstaven van behoefte en draagkracht van boek 1 BW moet worden bepaald of, en zo ja welk bedrag, de kinderen aan de gemeente moeten betalen. Hierbij is in aanmerking genomen dat in artikel 22 Wet op de lijkbezorging niet wordt verwezen naar de wettelijke maatstaven van behoefte en draagkracht van artikel 1:397 BW en dat die maatstaven van behoefte en draagkracht zich naar hun aard niet lenen voor toepassing bij de beoordeling van verhaal van een eenmalige bijdrage aan kosten van lijkbezorging. Dit betekent dat de gemeente de crematiekosten op de kinderen kan verhalen conform de hoofdregel van artikel 6:6 lid 1 BW, ofwel ieder voor een gelijk deel. Niet aannemelijk is geworden dat de kinderen voor ongelijke delen dan wel hoofdelijk verbonden zouden zijn.

 

Rb. Zeeland-West-Brabant 10 november 2014, nr C/02/267293 (RBZWB:2014:9354)