Verzoek benoeming rechter-commissaris in vereffening afgewezen

Een vereffenaar (notaris) verzoekt de rechtbank ex artikel 4:208 BW een rechter-commissaris te benoemen. De vereffenaar heeft ter toelichting op zijn verzoek gesteld dat hij belang heeft bij benoeming van een rechter-commissaris, omdat een aan de zaak gekoppelde rechter-commissaris voor hem een vast aanspreekpunt zal zijn, terwijl hij anders te maken zou krijgen met een medewerker van de griffie. Een rechter-commissaris zal dan ook, aldus de vereffenaar, toegankelijker zijn dan een kantonrechter en met een rechter-commissaris zal een eenvoudigere, snellere en directere vorm van overleg mogelijk zijn, terwijl hij er waarschijnlijk ook iets meer verstand van heeft.
De vereffenaar wijst erop dat er haken en ogen aan de vereffening van de nalatenschap zitten, in verband met het feit dat sprake is -kort samengevat- van een gelegateerde zweefmolen, een ongelukkig geformuleerd testament, een legataris zonder geld, een legitimaris en een erfgenaam.
Naar het oordeel van de rechtbank geven de door vereffenaar genoemde gegevens betreffende de nalatenschap geen aanleiding voor benoeming van een rechter-commissaris. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de vereffenaar een notaris is, en als zodanig ter zake van de afwikkeling van nalatenschappen, inzonderheid ook de vereffening daarvan, voldoende onderlegd mag worden geacht om vereffeningen van enige complexiteit ter hand te nemen, zonder veelvuldig ruggenspraak te hoeven plegen met een rechter-commissaris. Voorts geniet de vereffenaar ook thans reeds het toezicht van de kantonrechter, waarbij zij opgemerkt dat de vereffenaar geen zaken heeft genoemd die een grotere kundigheid vereisen dan de kantonrechter bezit (en die mogelijk benoeming van een ter zake gespecialiseerde rechter als rechter-commissaris aangewezen zouden maken).
Bij dit laatste zij opgemerkt dat voor zover de vereffenaar veronderstelt dat de kantonrechter minder toegankelijk is dan een rechter-commissaris (en dat contact en overleg met de kantonrechter stroever en langzamer pleegt te verlopen), deze veronderstelling op een misvatting berust.

Rb. Noord-Nederland 24 februari 2015, nr 3650107 / EZ VERZ 14-218 (RBNNE:2015:713)