Wilsrechten, uitleg testament: volgens Hof was artikel 4:21 BW wel uitgesloten maar artikel 4:22 BW niet

Het Hof te Den Haag oordeelt in de verwijzingsprocedure dat het de bedoeling van de erflater was dat zijn kinderen jegens zijn tweede echtgenote hun recht op betaling van hun vordering door overdracht van goederen niet zouden kunnen uitoefenen en dat hij dus heeft bedoeld het wilsrecht van artikel 4:21 BW uit te sluiten. Het Hof kan evenwel uit de daden en verklaringen van de erflater buiten de uiterste wil niet afleiden dat de erflater ook bedoeld zou hebben het in artikel 4:22 BW neergelegde wilsrecht uit te sluiten. Dit wilsrecht kan pas na overlijden van de stiefouder worden uitgeoefend jegens de erfgenamen van de stiefouder. Omdat de erflater te kennen heeft gegeven dat zijn kinderen niet zullen kunnen beschikken over zijn vermogen tot na de dood van zijn tweede echtgenote, volgt daaruit dat het niet de bedoeling van de erflater is geweest dat zijn kinderen na het overlijden van zijn tweede echtgenote niet zouden kunnen beschikken over de goederen van de nalatenschap of de goederen die van de zijde van de erflater zijn gevallen in de huwelijksgemeenschap die bestond tussen de erflater en zijn tweede echtgenote. De wens van de erflater was zijn tweede echtgenote zo goed mogelijk verzorgd achter te laten en haar de volle beschikking te geven over zijn vermogen, maar verder strekte zijn wens blijkens zijn verklaring niet. Na het overlijden van zijn tweede echtgenote was er voor de erflater dan ook geen grond om ook het wilsrecht van artikel 4:22 BW uit te sluiten. Uit daden en verklaringen van erflater blijkt niet dat hij zijn kinderen na het overlijden van zijn tweede echtgenote tevens het recht op goederen heeft willen ontzeggen. Blijkens de bewoordingen van de onderhavige clausule heeft hij alleen zijn echtgenote ontheven van de verplichting tot overdracht van goederen in het testament. Dat het de bedoeling van de erflater zou zijn geweest alle mogelijke wilsrechten uit te sluiten zoals onder andere de betrokken kandidaat-notaris heeft gesteld, volgt noch uit de bewoordingen van het testament noch uit de daden of verklaringen van de erflater. Het testament moet dan ook zo worden uitgelegd dat alleen artikel 4:21 BW is uitgesloten.

Hof Den Haag 28 oktober 2014, nr 200.140.796/01 (GHDHA:2014:3858)